 |
 |
 |
 |
|
In onze westerse wereld is men er ook nu nog heilig van overtuigd dat je het
ongeluk over je afroept, wanneer een zwarte kat je pad kruist. Maar er zijn nog
andere vormen van katten bijgeloof die minder bekend zijn. Een kat die te dicht
bij je mond komt, zou de adem uit je lichaam kunnen opzuigen als een vampier.
Een kat die sterft in je huis of meeverhuist, zou ongeluk brengen. In Engeland
brengt een zwarte kat juist geluk, en een witte kat ongeluk. In China is een
zwarte kat ook een teken van ongeluk. Daar wordt de zwarte kat echter beschouwd
als een waarschuwing, zodat men daarna extra goed op zijn hoede kan zijn. Maar
een kat die zich over de neus aait is een voorbode van aangenaam
bezoek.
Toch is het vreemd dat het kwaad zo vaak aan katten wordt
toebedeeld. Het begon eigenlijk zo goed voor de kat: Voor de oude Egptenaren was
de kat heilig! Ze gingen er vanuit dat katten een ziel hadden. Katten werden na
hun dood gebalsemd en gemummificeerd. Hun graven werden zelfs voorzien van
geschenken. De kattengodin Bastet was zeer belangrijk in de Egyptische
godsdienst. De tempel Bastet bij Bubastis in de Nijldelta was het centrum van de
kataanbidding.
Ook is het opmerkelijk dat de kleur zwart in het geloof
bijna altijd een negatieve rol toebedeeld krijgt. Daarom was een ontmoeting met
zwarte paarden, zwarte raven of zelfs zwarte nonnen in het verleden voor
sommigen ook niet fortuinlijk. De verklaring is eenvoudig: zwart is tot op de
dag van vandaag het symbool van het boze en het kwade of van de dood.
Vroeger geloofden sommige volken dat de kat het symbool was van het
kwaad. Analoog daaraan dachten de oude Hebreeërs dat men via de asresten van
zwarte katten demonen te zien kreeg. In Europa
dacht men dat duivels en heksen de gedaante aan namen van een kat. Toen zich
dorpen begonnen te ontwikkelen, zochten sommige wilde katten toenadering tot
eenzame weduwen. Een heks werd altijd afgebeeld met een zwarte kat. De
heksenvervolging in Engeland en in de Lage Landen was ook gericht op katten.
De kat werd niet alleen in haar slaap gestoord, maar regelrecht naar de
hel gestuurd - verbrand, gevierendeeld, opgehangen of verdronken. Katten kregen
de schuld van alles - eerst van de pest en later van elk ongeluk. De zwarte
onder hen hadden het nog het zwaarst te verduren. Tot in 1758 werden in Metz
dertien zwarte katten in een zak levend verbrand. In Leper werden ze tot in 1817
op de tweede zondag van mei levend van een wachttoren geslingerd. Daar herinnert
een volksfeest vandaag de dag nog steeds aan de overwinning van de Christenen op
de Duivel in de gestalte van een kat.
Tijdens het hoogtepunt van de
middeleeuwse hekserij werden vele katten wreed behandeld en gedood. Zo kende men
het kat knuppelen, waarbij het arme dier in een tonnetje werd opgesloten. Dit
werd met twee touwen tussen twee bomen gehangen, en dan probeerde men de ton met
knuppels aan diggelen te slaan. Ook diende katten als offer voor de boze
geesten, of werden levend begraven of verbrand.
Ook de oude Kelten
verbrandden katten als voorwerpen van verering. Ze werden in manden boven het
vuur geroosterd om hun doodstrijd langer te laten duren en de duivel in hen te
laten lijden. De Kelten gaven hun opvattingen over het voortbestaan na de dood
gestalte door dergelijke rituele verbrandingsceremonies.
Men zag de blik
van Satan in de ogen van de kat. Ook het feit dat het een nachtdier is telde
waarschijnlijk mee. Bovendien hoort men een kat niet naderen: Eén van de redenen
waarom heksen verdacht werden van het zich vermommen in een kat. Zo konden ze
zich dan onopgemerkt verplaatsen.
De Kerk was beducht voor de
kattenverering, overgewaaid uit het oude Egypte. Wellicht speelde ook mee dat
volgens sommige versies van het scheppingsverhaal de kat haar slechte reputatie
reeds van in het begin mee kreeg: Toen God Adam namelijk in een diepe slaap
gebracht had om uit diens rib een vrouwelijke tegenpool te creëren, ging
plotseling een grote kater ervandoor met het bot. Dit gebeurde met zoveel
snelheid dat God er maar op het laatste moment in slaagde het dier bij zijn
staart te pakken te krijgen. De kater gaf zich niet gewonnen. God moest zo hard
aan zijn staart trekken dat hij op een bepaald ogenblik nog alleen maar de
staart van de kater in zijn hand had. God liet de kater voor wat hij was en
besloot, teleurgesteld, de vrouw te boetseren uit die bewuste kattenstaart.
Misschien is dat de bijbelse verklaring van het feit dat men een nogal vinnige
vrouw wel eens een kat durft te noemen die men niet zonder handschoenen kan
aanpakken. De kerk is er verantwoordelijk voor geweest dat aan het begin
van de 15e eeuw de kat bijna verdwenen was uit Europa.
De oude
Scandinaviërs schreven heel wat onheil toe aan de dertien heksen die elke
vrijdagnacht in gezelschap van zwarte katten de heksensabbat vierden, onder
leiding van de godin Freya nog wel, de vrouw van oppergod Odin. Freya
gaf haar naam aan de vrijdag (Friadagr). Godin Freya, de godin van de
vruchtbaarheid, de liefde en de schoonheid, liet zich door de wolken rijden op
een wagen die werd getrokken door wilde katten. Ook de druïden offerden de kat
om de vruchtbaarheid over de velden af te smeken.
Vroeger werd ook
gedacht dat de poes het weer kon voorspellen. Likte zij zich met de haren mee,
dan mocht mooi weer verwacht worden. Likte zij zich evenwel tegen de haren in,
dan zou het regenen
Tegenwoordig komt de kat als symbool van het kwaad nog steeds voor in
allerlei kinderverhalen, zij het niet meer letterlijk bedoeld. Zo heeft de boze
tovenaar van de smurfen de kwaadaardige kat "Azrael' tot metgezel. In tekenfilms
speelt de kat altijd de rol van de gemene schurk tegenover een sympathieke muis
waarmee we ons als kijker kunnen identificeren.
En zo zijn we weer terug
waar we begonnen. 'Als je pad gekruist wordt door een zwarte kat kun je leed en
onheil verwachten.' Toch is dit pas als de kat van je wegloopt dat het bijgeloof
dit als een slecht teken beschouwt. Loopt de kat met je mee, dan is er geen
enkel probleem.
|
|
 |
|
 |
|
Geen enkel ander schepsel uit het dierenrijk word zo vaak geassocieerd met zowel hemel als hel als een kat. De kat is terug te vinden in gebeden en vloeken, en is tevens voorwerp van verering en fanatieke haat geweest. Zo kenden de katten een hemels bestaan in het Egypte van de farao’s en genoten ook nog aanzien toen het geloof van de profeet Mohammed de Arabische wereld veroverde. De legende verhaalt hierover: Muessa, de lievelingskat van de profeet lag op een dag te soezen in de brede mouwen van zijn boernoes, toen de moeddzin opriep voor het gebed. Omdat de profeet het niet over zijn hart kon verkrijgen het dier in zijn slaap te storen, sneed hij eenvoudigweg de mouw af en liet het dier verder rusten terwijl hij Allah vereerde’.
|